Leystromen is een woningcorporatie met in totaal zo’n 10.700 woningen, verspreid over 14 woonkernen. Sinds september 2019 heeft Leystromen een ontheffing om te de woningen binnen haar woningbezit te verduurzamen (te renoveren) en daarbij rekening te houden met de aanwezigheid van beschermde soorten. De werkwijze is vastgelegd in een Soorten Management Plan (SMP), opgesteld door Arcadis. In 2025 is er een evaluatie van het SMP gepubliceerd. Deze evaluatierapportage is een vereiste vanuit de ODBN (Omgevingsdienst Brabant Noord) waar het werkgebied van Leystromen onder valt.
De evaluatierapportage is opgezet om de voorschriften in de ontheffing na te lopen en te beschrijven wat de stand van zaken is, en daarbij aan te geven of aan de voorschriften is voldaan. In deze samenvatting wordt besproken:
- Inleiding
- Nulmeting beschermde soorten
- Ingebouwde voorzieningen
- Effectiviteit van de maatregelen
- Salderingsboekhouding
- Vergelijking met reguliere ontheffingen
- Populatietrend
- Discussie
- Conclusies
1. Inleiding
Het werkgebied van woningcorporatie Leystromen omvat 6 gemeenten en 14 woonkernen. Het woningbezit omvatte op 1 -11-2024 10.771 woningen, ingedeeld in 564 overeenkomende clusters (ook wel complexen genoemd). Een complex van grondgebonden woningen bevat gemiddeld 18 woningen; een appartementencomplex bevat gemiddeld 21 appartementen. De woonkernen Gilze, Goirle en Oisterwijk zijn opgedeeld in 2 salderingsgebieden, de overige woonkernen zijn elk één salderingsgebied.

Het SMP is opgesteld voor de volgende soorten:
- Huismus;
- Gierzwaluw;
- Gewone dwergvleermuis;
- Ruige dwergvleermuis;
- Laatvlieger;
- Gewone grootoorvleermuis.
Monitoringsplan
Aanvullend op het SMP is er in 2019 een monitoringsplan voor de periode 2019-2024 opgesteld en goedgekeurd. Hierin is beschreven dat er 4 groepen van representatieve complexen worden aangewezen (complexgroepen A, B, C en D) waar renovatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd en die gevolgd worden voor zowel de in- en uitvliegende dieren (kwantitatief en kwalitatief veldonderzoek) en het gebruik van de aangebrachte mitigatiemaatregelen (inspectieonderzoek).

Het kwantitatief onderzoek binnen het SMP is gelijk aan het gangbare protocolonderzoek voor de betreffende soort. Dit onderzoek is gericht op het vaststellen van de aantallen nesten/verblijven (en bij vleermuizen ook op de functie van het verblijf).
Het kwalitatief onderzoek is gericht op het vaststellen van bijzondere verblijfsfuncties. Dit zijn kolonies (grote aantallen nesten) van huismus en gierzwaluw en kraamkolonies van vleermuizen. Hiervoor is de monitoringsinspanning minder dan bij het protocolonderzoek.
De onderstaande tabel geeft de monitoringsinspanning van beide typen onderzoek.

Taakstelling
Taakstelling over te nemen uit SMP-document.
2. Nulmeting beschermde soorten
Om vast te stellen welke soorten zich in het woningbezit van Leystromen bevinden, is er een zogenaamde nulmeting uitgevoerd in 2018-2019. Bij dit onderzoek is 62% van het woningbezit kwantitatief onderzocht en 38% kwalitatief onderzocht.
Onderstaande tabel laat zien dat voor alle projecten die binnen het SMP zijn uitgevoerd een recente nulmeting beschikbaar was.

Dit is een weinig spannende tabel, maar deze tabel geeft wel aan dat er aan de eis van een nulmeting bij elk project voldaan is.
In 2023 is een herhaling van de nulmeting uitgevoerd voor de complexen die nog niet gerenoveerd waren en in de daaropvolgende jaren zouden worden gerenoveerd.
3. Ingebouwde voorzieningen
In de periode 2019-2024 zijn ingebouwd:
- 2610 huismuskasten;
- 2345 gierzwaluwkasten;
- 1642 vleermuisverblijven.
Hieronder enkele voorbeelden van ingebouwde voorzieningen.



Een klein deel van de verblijven zijn in de dakconstructie ingebouwd, waarbij achter de opening een nestkast is geplaatst.

4. Effectiviteit van de maatregelen
Er wordt binnen het SMP van uit gegaan dat er alleen voorzieningen worden ingebouwd die effectief zijn. Hiervoor wordt verwezen naar de Mitigatiecatalogus, waarin van vele typen maatregelen is opgenomen of de maatregel effectief is gebleken. Desalnietemin is in de ontheffing en in het goedkeuringsbesluit op het Monitoringsplan vastgelegd door de ODBN dat de effectiviteit van de maatregelen binnen het SMP Leystromen bewezen moet worden.
Via veldonderzoek en inspectieonderzoek in de woningen van de complexgroepen A-D is onderzocht of de aangebrachte voorzieningen gebruikt worden (zie ook het schema van de monitoring).
De gierzwaluwvoorzieningen in de diverse complexen zijn met een endoscoop onderzocht op sporen van gebruik. Onderstaande figuren laten voor de complexgroepen A-C en B-D apart zien wat de resultaten waren van dit onderzoek in de laatste jaren 2023 en 2024.


Gierzwaluwkasten zijn in gebruik als nestplaats door vooral gierzwaluwen, huismussen en spreeuwen. In de complexgroepen B en D maken ook huismussen veelvuldig gebruik van de gierzwaluwkasten om te nestelen. Een aantal kasten bevatten alleen poepjes en worden dus alleen gebruikt als slaapplaats door huismus/mees (geen onderscheid in soort mogelijk).
Met name in de laatste jaren (tussen 2021 en 2023 voor complexgroepen A en C en tussen 2022 en 2024 voor complexgroepen B en D) is het aantal gierzwaluwnesten opgelopen. Dit werd ook ondersteund door het veldonderzoek in 2023 en 2024, waarbij veelvuldig invliegers gemeld werden.
(Gegevens over de huismusaksten en vleermuiskasten zijn ook bekend en kunnen worden opgevraagd.)
5. Salderingsboekhouding
Bij een reguliere ontheffing wordt een ontheffing gevraagd voor één project, afhankelijk van de aanwezigheid van beschermde soorten. Als geen beschermde soorten aanwezig zijn, dan is er wettelijk gezien geen noodzaak om verblijven voor beschermde soorten in te bouwen. Zijn er wel gierzwaluwen in een project aangetroffen, dan moeten er gierzwaluwnestplaatsen worden teruggebracht. Het aantal plaatsen is een factor 3 méér dan het aantal oorspronkelijk aangetroffen nesten. (In het Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1 stond een factor 5, in het Kennisdocument Gierzwaluw versie 2 (de laatste versie) staat een factor 3-5 genoemd om te voorkomen dat een groot aantal kasten ten koste gaat van de kwaliteit van de locaties waar de kasten worden opgehangen of ingebouwd. Het is namelijk niet zinvol om kasten op het Zuiden te plaatsen, alleen om daarmee het juiste aantal kasten te halen.)
Omdat bij het SMP Leystromen in alle woningen kasten worden ingebouwd, ook in woningen waarin geen gierzwaluwen aanwezig waren, is het interessant te kijken naar de aantallen ingebouwde kasten volgens beide methodieken.
Met het SMP Leystromen zijn in alle salderingsgebieden, op één uitzondering na, duidelijk méér kasten ingebouwd dan wanneer volgens regulier ontheffingen was gewerkt. Voor alle gebieden samen geldt dat er 4,7x méér gierzwaluwkasten zijn ingebouwd, dan wanneer er volgens reguliere ontheffingen (met een factor 3) was gewerkt. Er zijn niet 3x zoveel kasten ingebouwd als nesten waren aangetroffen, maar 14x zoveel. Daarmee geeft het SMP een boost aan de aanwezigheid van nestgelegenheid voor gierzwaluwen in het werkgebied van Leystromen.
Vergelijking van reguliere aanpak met aanpak volgens het SMP Leystromen. Weergegeven is het aantal gierzwaluwkasten dat a. ingebouwd zou zijn onder reguliere ontheffingen (met een vermenigvuldigingsfactor van 3); b. dat is ingebouwd in het SMP Leystromen. Het saldo geeft het verschil tussen beide (positief: méér ingebouwd onder het SMP).De salderingsboekhouding laat onder meer zien of bij de projecten de taakstelling is gevolgd.
6. Vergelijking met reguliere ontheffing
Bij een reguliere ontheffing wordt een ontheffing gevraagd voor één project, afhankelijk van de aanwezigheid van beschermde soorten. Als geen beschermde soorten aanwezig zijn, dan is er wettelijk gezien geen noodzaak om verblijven voor beschermde soorten in te bouwen. Zijn er wel gierzwaluwen in een project aangetroffen, dan moeten er gierzwaluwnestplaatsen worden teruggebracht. Het aantal plaatsen is een factor 3 méér dan het aantal oorspronkelijk aangetroffen nesten. (In het Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1 stond een factor 5, in het Kennisdocument Gierzwaluw versie 2 (de laatste versie) staat een factor 3-5 genoemd om te voorkomen dat een groot aantal kasten ten koste gaat van de kwaliteit van de locaties waar de kasten worden opgehangen of ingebouwd. Het is namelijk niet zinvol om kasten op het Zuiden te plaatsen, alleen om daarmee het juiste aantal kasten te halen.)
Omdat bij het SMP Leystromen in alle woningen kasten worden ingebouwd, ook in woningen waarin geen gierzwaluwen aanwezig waren, is het interessant te kijken naar de aantallen ingebouwde kasten volgens beide methodieken.
Met het SMP Leystromen zijn in alle salderingsgebieden, op één uitzondering na, duidelijk méér kasten ingebouwd dan wanneer volgens regulier ontheffingen was gewerkt. Voor alle gebieden samen geldt dat er 4,7x méér gierzwaluwkasten zijn ingebouwd, dan wanneer er volgens reguliere ontheffingen (met een factor 3) was gewerkt. Er zijn niet 3x zoveel kasten ingebouwd als nesten waren aangetroffen, maar 14x zoveel. Daarmee geeft het SMP een boost aan de aanwezigheid van nestgelegenheid voor gierzwaluwen in het werkgebied van Leystromen.

7. Populatietrend
Voorwaarde voor het verkrijgen van de ontheffing voor een SMP in Noord-Brabant was dat aangetoond moest worden dat de populatieomvang van de beschermde soorten niet achteruitging als gevolg van de renovatiewerkzaamheden onder het SMP. Dus ook voor die van Leystromen.
Het is dus logisch om dan te kijken naar de woningen die wel ge-isoleerd zijn, want daar wordt immers een verandering verwacht. Dit is de projectmonitoring in 20 complexen (complexgroepen A-D) zoals die binnen het SMP van Leystromen is uitgevoerd (zie het schema bovenaan deze pagina). Daarnaast is door de ODBN (het bevoegd gezag) vereist:
- gebruik maken van het meetnet MUS van Sovon om de trend van de populaties van huismus en gierzwaluw te volgen;
- gebruik maken van de methodiek van VleerMUS van de Zoogdiervereniging om de trend van de aantallen vleermuizen te volgen.
Populatietrend van de gierzwaluw volgens MUS
Sovon heeft voor de Brabantse SMP’s de trend van de vogels huismus en gierzwaluw berekend. Dit is gedaan op 3 schaalniveaus:
- Het werkgebied van de woningcorporatie;
- De gehele provincie Noord-Brabant;
- Geheel Nederland.
Hieronder de plaatjes voor deze 3 trends. De ‘lokale’ trend volgt een zeer grillig patroon, met een jaar-tot-jaar variatie tot 300% en grote bandbreedtes. Hieruit volgt geen toe- of afname. Dit is naar mijn idee ook het geval voor de trend in Noord-Brabant en Nederland. Sovon karakteriseert de trend in het werkgebied van Leystromen en in de provincie Noord-Brabant als ‘stabiel’ en de trend in Nederland als een ‘matige afname’.



De toepasbaarheid van de trend van het werkgebied van Leystromen is discutabel. Onderstaande figuur laat zien dat in de woonkernen waar Leystromen het meeste woonbezit heeft (Gilze, Rijen, Goirle, Oisterwijk) alleen in één postcodegebied van Goirle een langjarige reeks beschikbaar is. In Oisterwijk, Moergestel en Hilvarenbeek zijn de MUS-tellingen in 2022 gestart. In Gilze en Rijen wordt niet geteld. Afgezien van de grote variatie tussen opeenvolgende jaren (wat we niet kennen van de gierzwaluw), is de trend geen afspiegeling van wat er binnen het woonbezit van Leystromen met de gierzwaluw gebeurt.

Op zijn best kan gezegd worden dat er geen positieve of negatieve trend aanwezig is in de aantallen broedparen van de gierzwaluw in Noord-Brabant. En waarschijnlijk ook niet in het woningbezit van Leystromen als geheel.
Populatietrend van de gierzwaluw volgens de projectmonitoring van het SMP
Hieronder zijn de resultaten weergegeven van de nesttellingen met de projectmonitoring. Daarbij zijn de resultaten van veldwaarnemingen (in- en uitvliegende dieren) en fysieke inspectie (endoscooponderzoek naar de inhoud van de kasten na het broedseizoen) gecombineerd. Het totaal aantal gierzwaluwnesten is:
- aantal gierzwaluwnesten dat tijdens het veldonderzoek gevonden werd op ‘natuurlijke’ plaatsen (geen inbouwkasten);
- +
- Aantal gierzwaluwnesten tijdens inspectie dat als gierzwaluwnest kon worden ge-identificeerd.
Zekere nesten zijn nesten op basis van in- en uitvliegers en inspectiefoto’s met duidelijke nesten van de gierzwaluw (kommetje met veertjes en/of gierzwaluwpoepjes in het voorportaal).
‘Onzekere’ nesten zijn:
- nesten waarbij geen onderscheid gemaakt kon worden tussen huismus (-nestbeginsel) en gierzwaluwnest;
- nestplekken die niet zijn gecontroleerd; Als aangenomen wordt dat er procentueel evenveel nesten zitten in de niet-gecontroleerde kasten als in de wel gecontroleerde kasten, levert dit een aantal extra nesten op (die hier als ‘onzeker’ zijn benoemd).
Onderstaande figuren laten zien dat


In de intensief onderzochte complexen is het aantal gierzwaluwnesten in de looptijd van het SMP opgelopen van 43 in 2018-2019 tot 208 in 2023-2024. Dit is een duidelijk significante toename van het aantal gierzwaluwnesten. Van deze nesten is in 2023-2024 41 op een ‘natuurlijke’ nestplaats (nagenoeg gelijk aan het aantal in 2028-2019) en 167 in ingebouwde gierzwaluwkasten (zie tabel hieronder). Omdat het aantal in natuurlijke nestplaatsen stabiel is, kan de stijging van het aantal nestplaatsen geheel worden toegeschreven aan het aanbieden van extra nestruimte door het natuur-inclusief renoveren tijdens het SMP Leystromen. In 2023-2024 broedde 85% van de gierzwaluwpopulatie in de onderzochte complexen in inbouwkasten.
De representativiteit van de gemonitorde clusters A-D leidt tot de veronderstelling dat de hier gevonden stijging van de populatie ook voor de andere gerenoveerde complexen van Leystromen geldt. De provinciale trend van de gierzwaluw is ‘stabiel’; een stijging van het aantal broedparen in de onderzochte complexen (met een factor 5) is een significante positieve afwijking ten opzichte van de provinciale populatietrend. Daar komt nog bij dat de natuurlijke nestplekken veelal onder dakpannen zitten, waarvan bekend is dat deze plekken in warme zomers te heet worden, en dat de inbouwkasten klimaatrobuuster zijn, waardoor het broedsucces er hoger zal zijn dan onder de dakpannen.
Hiermee kan gesteld worden dat aan de eis van het bevoegd gezag (geen achteruitgang van de populatie) voor de gierzwaluwen ruim voldaan is. Bovendien is ook het doel van het SMP (namelijk een boost geven aan de populaties van beschermde soorten die door renovaties kunnen worden bedreigd) voor de gierzwaluw behaald.
Tabel 2. Aantal nesten van de gierzwaluw op ‘natuurlijke’ plaatsen en in inbouwkasten; tijdens de nulmeting (2018-2019) en in de laatste jaren van de projectmonitoring (2023/2024), in de complexgroepen A en C, de complexgroepen B en D en het totaal aantal nesten van deze 4 complexgroepen.

8. Discussie
Bias in de data
Doordat de intensiteit van de monitoring gedurende de 5-jaar periode anders is, kan er een bias in de data ontstaan. Zo is een deel van de intensief gemonitorde complexen bij aanvang van het SMP tijdens de nulmeting kwantitatief onderzocht, terwijl een andere deel kwalitatief is onderzocht. Ook is er fysieke inspectie van de aangebrachte voorzieningen na de renovatie bijgekomen als onderzoeksmethode. Dit levert ook een grotere kans dat nesten gevonden worden. Door deze factoren kan het resultaat van de evaluatie te positief uitvallen. Hoe erg is dit? Kan dit betekenen dat de populaties toch zijn afgenomen door de renovatie terwijl in de evaluatie staat dat ze zijn toegenomen? Nee, de conclusies van de populatietrends op basis van de monitoring blijven overeind staan. Doordat bij de monitoring van de intensief-bemonsterde complexen kwalitatief onderzoek is afgewisseld met kwantitatief onderzoek, is een onderschatting van een kwalitatieve nulmeting gecompenseerd. Het verloop van de aantallen nesten laten ook geen dip zien in jaren dat er kwalitatief veldonderzoek is uitgevoerd.
Gaat alles goed?
Nee, zeker niet. Aandachtspunten zijn:
- Maatwerk vergt meer begeleiding
Als er maatwerk wordt uitgevoerd, dit is als er niet standaard kasten in de buitengevels worden ingebouwd, dan is extra begeleiding van een ecoloog noodzakelijk. Voorbeelden:
- In Oisterwijk, wijk Waterhoef, is complex 2127 in 2020-2021 gerenoveerd. De gierzwaluwnestplaatsen zijn in de dakoverstekken ingebouwd (opening met kast erachter), met de invliegopening in het verticale deel van het dakoverstek (invliegrichting horizontaal). Echter was door onduidelijkheid in het ecologisch werkprotocol de invliegopening van de schuine kast aan de benedenzijde gemaakt, in plaats van de aan de bovenzijde. Daarbij bleken de huismusvoorzieningen (onder het dak) en de vleermuisvoorzieningen (ook in het dakoverstek) ongeschikt. De invliegopeningen voor de gierzwaluwen zijn verplaatst, maar de huismusverblijven zijn er (begin 2025) nog steeds niet, waardoor er heftige concurrentie optreedt tussen gierzwaluwen en huismussen. Hoewel de opening van de kasten een stukje achter het boeiboord van het dakoverstek zit (spleet van circa 2 cm), hebben de gierzwaluwen hier geen problemen mee, mede dankzij het vele nestmateriaal dat de huismussen in de spleet hebben laten vallen.

- In Hilvarenbeek zijn verblijven voor vleermuizen in de dakoverstekken zodanig afgewerkt dat er veel kieren aanwezig zijn en het er tocht, waardoor ze ongeschikt zijn voor de vleermuizen.
2. Ontmoedigingsmateriaal werd niet verwijderd
Woningen worden natuur-vrij gemaakt door de woning te ontmoedigen (door zogenoemd e ontmoedigingsmaterialen te plaatsen, zoals borstels, (niet-schuimend) vulschuim en zogenaamde exclusion-flaps (plastic tunneltjes waardoor vleermuizen wel uit een gebouw kunnen, maar er niet weer terug in). De bedoeling is dat deze ontmoedigingsmaterialen na de renovatie weer worden verwijderd. Dit is echter bij een flink aantal projecten niet gebeurd. Omdat de soorten na de renovatie in eerste instantie toch weer de oude plekken willen blijven gebruiken, is dit wel belangrijk voor het in stand houden van de populatieomvang. Leystromen heeft nu een plan opgesteld om de oude ontmoediging te gaan verwijderen en bij nieuwe renovaties dit als extra stap in het renovatieproces op te nemen.
3. Meerdere keren renoveren
Het komt nog wel eens voor dat een woningcorporatie besluit om woningen te verduurzamen, maar daarbij niet in één keer de gehele woning oppakt. Dan wordt er, in stappen:
- De woning wordt verduurzaamd door spouwmuurisolatie, er wordt natuurvrij gemaakt (in de herfst), kasten ingebouwd, ge-isoleerd (in de loop van de winter of met uitloop naar de zomer) en vervolgens weer de ontmoedigingsmaterialen weggehaald (hopelijk binnen één jaar na het natuurvrij maken).
- De ingebouwde kasten worden bezet;
- Vervolgens wordt gepland dat het dak wordt gerenoveerd. Als dit dan ook nog in de zomer gebeurt, en de inbouwkasten worden natuurvrij gemaakt, dan wordt zo het paard achter de wagen gespannen. Het SMP leent zich ook niet voor meerdere keren ontmoedigen. Een beter planning kan dit voorkomen (in ieder geval dat gedurende het broed- en kraamseizoen de kasten ontoegankelijk zijn).
4. Woningen zijn te lang natuurvrij
Doordat projecten nog wel eens worden vertraagd, kan het zijn dat de uitvoering van de projecten op zich laat wachten en de woningen langer dan één jaar natuurvrij gehouden worden. Dit is niet wenselijk. Een oplossing kan zijn om de toestemming van bewoners om mee te doen met de renovatie éérst wordt gepeild en vastgelegd vóórdat de woningen natuurvrij worden gemaakt.
9. Conclusie
Het SMP Leystromen blijkt in de eerste 5 jaar van het SMP voor de gierzwaluw succesvol geweest te zijn. In die zin dat de aantallen gierzwaluwnesten in de gerenoveerde woningen hoger zijn dan daarvóór en dat het aantal potentiële nestplekken substantieel verbeterd is. Daarbij zijn de nieuwe inbouwkasten ook beter beschermd tegen hoge temperaturen gedurende hete zomers dan de oorspronkelijke nestplekken onder de dakpannen.
Voor de huismus geldt hetzelfde (hier niet getoond). Het aantal in gebruik zijnde verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is ook toegenomen, dankzij het hoge percentage (meer dan 60%) van de inbouwkasten dat gebruikt wordt als zomerverblijfplaats en bals- en paarverblijfplaats. De kraamfunctie van de vleermuiskasten is nog maar mondjesmaat. In slechts enkele kasten (1 kleine kast, 1 grote kast en 1 kraamkast) is de aanwezigheid van een kraamkolonie van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. De hoop is dat dit vaker gebeurt in de nabije toekomst. De laatvlieger wordt sporadisch in de grotere kasten aangetroffen (1-3 exemplaren). Hierbij is geen kraamfunctie vastgesteld.
Het complete evaluatierapport staat hier:
Arcadis – 2025 – Monitoring en evaluatie SMP Leystromen 2018-2024
Begin: Onderzoek en bescherming: Soorten Management Plan (SMP)

