SMP: Voorbeeld van een Taakstelling

Technisch gezien wordt een taakstelling van een SMP gebaseerd op de nulmeting voorafgaand aan de start van het SMP. De resultaten van de nulmeting moeten dus ook al beschikbaar zijn bij het schrijven van het SMP-plan zelf (het SMP-document).

Woningen zijn geclusterd: woningen van een en hetzelfde type (bouwstijl, bouwjaar) komen vaak bij elkaar in groepjes voor. Dit worden clusters of complexen genoemd. Een woningcorporatie heeft honderden woningclusters of complexen in beheer.

Hier wordt een versimpeld beeld geschetst, om de berekeningswijze te laten zien. Stel er zijn 5 complexen van elk 100 grondgebonden woningen, met daarin gierzwaluwnesten:

  • Complex 1: 25 gierzwaluwnesten;
  • Complex 2: 5 gierzwaluwnesten;
  • Complex 3: géén gierzwaluwnesten;
  • Complex 4: 10 gierzwaluwnesten;
  • Complex 5: 60 gierzwaluwnesten.

De gemiddelde dichtheid aan gierzwaluwnesten is 100 nesten / 500 woningen = 20%. Dus bij een taakstelling van 0,2 gierzwaluwkasten per woning, zou precies hetzelfde aantal kasten ingebouwd worden als er nesten aangetroffen zijn in de nulmeting. Dat is niet genoeg, want dan zou de populatie zich niet kunnen uitbreiden. Plus dat er wellicht nesten gemist zijn tijdens de monitoring.

Bij een taakstelling van 0,6 kasten per woning worden er in de 5 complexen in totaal 300 kasten ingebouwd. Dit zou precies voldoen aan de eis bij een reguliere ontheffing om 3x zoveel kasten terug te brengen als dat er nesten waren.

In dit voorbeeld zou een taakstelling realistisch zijn van:

  • standaard taakstelling: 0,5 kasten per woning voor complexen waarin géén nesten waren aangetroffen;
  • plus-taakstelling: 1.0 kasten per woning voor complexen waarin de soort wel werd aangetroffen.
  • In het bovenstaande voorbeeld zou dat betekenen dat er in de 5 complexen in totaal 450 gierzwaluwkasten zouden moeten worden ingebouwd. Dit is méér dan de factor 3 bij een regulier traject, ook in het geval van het complex met 60 nesten. Meerwaarde is ook dat in een complex zonder gierzwaluwen toch kasten worden ingebouwd zodat er een nieuw gebied voor gierzwaluwen beschikbaar komt.

In enkele gevallen (bijvoorbeeld bij kleine complexen met veel nesten) komt het voor dat er méér nesten aanwezig zijn dan er met de berekende taakstelling worden ingebouwd (of dat de factor 3 niet gehaald wordt). In dat geval wordt gekeken naar het maximaal aantal aan te brengen inbouwkasten, waarbij de kasten nog steeds op een kansrijke, klimaatrobuuste locatie komen te hangen (op kopgevels op het noorden of oosten (maximaal 5 bij elkaar), in dakoverstekken of gootbekistingen (met isolatie naar de dakpannen toe) of dicht onder de dakgoten in de voorgevels.

Een extra vangnet is het voorschrift in de Brabantse SMP’s dat er bij de aanwezigheid van een kolonie een speciaal traject uitgevoerd moet worden, waarbij de omgevingsdienst direct meekijkt en extra voorwaarden stelt (controle van de taakstelling, controle van de kwaliteit van de uitvoering en verplichting tot monitoring). Een kolonie is gedefinieerd als de aanwezigheid van:

  • 10 of meer huismusnesten in een complex of rij woningen;
  • 10 of meer gierzwaluwnesten in een complex of rij woningen;
  • 10 of meer in- of uitvliegers van vleermuizen in een woning of naastliggende woningen;
  • 1 of meer in- of uitvliegende laatvliegers.

In werkelijkheid zijn de dichtheden van nesten vaak (veel) lager. Door de doelstelling van het SMP om alle woningen natuur-inclusief op te leveren, wordt de taakstelling vaak verhoogd zodat de som van de taakstelling voor gierzwaluw, huismus en vleermuizen boven 1,0 uitkomt, zodat gemiddeld alle woningen natuur-inclusief gerenoveerd worden.

Begin: Onderzoek en bescherming: Soorten Management Plan (SMP)

Vorige: SMP – Hoe wordt een SMP opgesteld?

Volgende: Voorbeeld van voorschriften bij een SMP